In
1467 gaf de landsheer, hertog Philips van Bourgondië, toestemming voor het
bedijken van de schorren en slikken- gelegen ten oosten van het eiland
Duiveland, toen al aangeduid als Bruynisse - Beoostenduvelandt. Het
eilandenrijk in de Nederlandse delta kreeg er een nieuwe polder bij. Adriaan
van Borsele, heer van Brigdamme en Duiveland, sloot op 24 maart 1467 een
overeenkomst met de andere eigenaren van de schorren om het uutgorss
beoost Duvelant op het schor, genaamd Bruynisse, tot eender nieuwen
coorenlande te bedijken. In aansluiting daarop werd begonnen met de
bedijking. Negentien kilometer dijk moest er aangelegd worden, per
meter één man! Zware arbeid en slechte kost voor 5 cent per dag, maar ze
brachten het tot stand en ongeveer 800 ha. nieuwen coorenlande
ontstond. Adriaan van Borsele mocht de voltooiing van zijn nieuwe polder en
de aanleg van het dorp niet meer meemaken want hij overleed in 1468. Zijn
weduwe, Anna van Bourgondië, die spoedig hertrouwde met weduwnaar Adolf van
Cleef, zette zijn werk voort. Zij was het die in de oostelijke hoek van de
nieuwe polder een dorp liet aanleggen.
Het dorp
kreeg de in die dagen traditionele opzet. Vanaf de dijk liep een voorstraat
(nu de Oudestraat waaraan
de musea gelegen zijn) uit op de Ring. In
het midden daarvan lag het door een gracht omgeven kerkhof, met daarop de
kerk. Dit grondplan van het dorp is tot op heden goed te herkennen op
de plattegrond van het dorp. De kerk met een spitse toren en een éénbeukig
schip, werd gebouwd ter eeren Gods, Sijne gebenedijder moedere de maget
Sinte Marie en den heyligen apostel Sinte Jacobus de Mindere, die aldaer een
patroon wesen zal.
De ligging
van Bruinisse temidden van visrijke wateren en de aanwezigheid van een
bequame haven, stelden de bevolking al spoedig in staat de visserij uit
te oefenen. Haring, bliek en garnalen werden er gevangen en de vele oester-
en mosselbanken leverden tonnen schelpdieren op. Bij eb voer men naar de
drooggevallen platen om met ysere ryven de mosselen bijeen te
schrapen. Met de visvangst kwam de zoutnering, het darinkdelven van de
grond. 'Gelukkig is het land waar men zijn moer verbrandt,’ wil niet anders
zeggen dan dat het zelzout werd gewonnen door verbranding van moer of darink,
zouthoudende veengrond. Het moeren was evenwel heel erg schadelijk voor de
kaden en de dijken wanneer dat vlak daarachter plaats vond. Daarom is het
moeren al gauw aan banden gelegd.
Men begon het
land te bewerken en verbouwde vlas, gerst en hop, voor kleren, voedsel en
vertier. Maar al gauw kwam ook hier de belasting als rustverstoorder.
Met gemeen
consent stelde Anna van Bourgondië een accijns op brandewijn en bier
vast, 1 stuyver voor 1 tonne bier, om de Oudestraat te bestraten en
de kosten van de kerk en de haven te bestrijden.
De eerste
inwoners kwamen meest uit de omliggende plaatsen, onder andere uit
Oosterland, Nieuwerkerk, Brouwershaven en Stavenisse. Veel zullen het er
niet geweest zijn.
Copyright © Musea Bruinisse (voor meer
informatie over de geschiedenis zie
www.museabruinisse.myweb.nl )
|